DRE
DRE, de afkorting van Digital Rectal Examination, wordt ook wel
PPA (palpatio per anum) ofwel rectaal toucher genoemd. Het is, simpel
gezegd, een onderzoek dat door een arts wordt uitgevoerd waarbij hij
via de anus de prostaat van de patiënt met een vinger aftast.
Dit eenvoudige, goedkope en snel uit te voeren onderzoek is al bijna
een eeuw het middel bij uitstek om prostaatkanker en andere prostaataandoeningen
op te sporen.
Een stukje anatomie vooraf: de prostaat of voorstanderklier
is door bindweefselstrengen, verankerd aan het schaambeen. Ook is de
klier omgeven door ander weefsel dat hem op zijn plaats houdt. Zo is
hij ook verbonden met de blaas en ten slotte rust hij ook op de endeldarm.
Dat is een voordeel, want zo kan een arts via de anus de prostaat aftasten.
Ongeveer driekwart van alle prostaatgezwellen ontstaan in het achterste
gedeelte van de prostaat, aan de kant die aan de endeldarm grenst. Dat
is ook de reden waarom het rectale onderzoek zo’n waardevol hulpmiddel
was en is om de ziekte op het spoor te komen.
Een normale prostaatklier voelt stevig en soepel aan, ongeveer als het puntje van de neus of de muis van de hand. Een ontstoken prostaat voelt dikkig of papperig aan. Een prostaat met een kankergezwel voelt bobbelig of steenhard aan. Het rectaal toucher kan echter niet de vijfentwintig procent van de tumoren voelen, die diep in de prostaat of aan de andere kant van de prostaat zitten.
Het rectaal onderzoek is beslist niet alleenzaligmakend,
slechts ongeveer dertig procent van de tumoren wordt er mee opgespoord.
De combinatie rectaal onderzoek, PSA-test en transrectale echografie
(TRUS) is al veel nauwkeuriger: daarmee wordt vijftig tot zestig procent
van de gevallen van prostaatkanker gediagnosticeerd.
TRUS
TRUS, Trans Rectal Ultrasound, ook wel transrectale echografie
genoemd is het volgende belangrijke hulpmiddel bij de diagnose van prostaatkanker.
Indien het rectaal onderzoek en/of de PSA-test op de waarschijnlijke
aanwezigheid van een prostaatkankergezwel wijst, kunnen ultrasonore
geluidstrillingen de diagnose nauwkeuriger maken. De geluidstrillingen
brengen de pros-taat, de blaas en de omliggende weefsels in kaart en
laten zien waar de tumor zit en hoe groot of hoe klein hij is.
De hoogfrequente geluidsgolven, onhoorbaar voor het
menselijk oor, worden richting prostaat gezonden en weer opgevangen
door een echotransducer, een vingerdik apparaatje, dat via de anus in
het rectum wordt geschoven
De geluidsgolven gaan met verschillende snelheden door de verschillende
soorten weefsels heen, afhankelijk van de structuur van de weefsels.
Zo zullen ze sneller door stevig weefsel kunnen gaan en langzamer door
zacht weefsel. De verschillende geluidsgolven worden door de aangesloten
computer tot een logisch beeld gevormd.
Een gezonde prostaat heeft overal dezelfde dichtheid, wat te zien is
aan het egale grijs op het scherm van de monitor. Als er lichte of donkere
vlekken te zien zijn kan dat betekenen dat er tumoren aanwezig zijn:
die hebben immers ofwel een stevigere of juist slappere weefselstructuur
dan het omringende gezonde prostaatweefsel.
Transrectale echografie wordt ook toegepast om het
prostaatvolume te bepalen. Tevens wordt het volume van de tumor en eventuele
doorbraak van het prostaatkapsel en aantasting van omringende weefsels
vastgesteld hetgeen belangrijk is om de stagering, ook klinisch stadium
genoemd, van de kanker mogelijk te maken.
Daarnaast wordt transrectale echografie gebruikt om biopsies van de
prostaat gericht te kunnen uitvoeren.
Een speciale, nieuwere vorm van transrectale echografie is Color Doppler, dat de vorming van nieuwe bloed-vaatjes, nodig voor het ontstaan en groeien van tumoren, in kleur op de monitor laat zien.
Biopsie
Biopsie is na een PSA-test, een DRE en een TRUS noodzakelijk
om met zekerheid vast te stellen of er inderdaad sprake is van een kwaadaardige
tumor in de prostaat.
Door de technieken van transrectale echografie
en biopsie te combineren is het mogelijk binnen een paar minuten weefselmonsters
uit de prostaat te nemen. De transducer, het apparaatje dat via de anus
wordt ingebracht, bevat nu naast de zender/ontvanger van de ultrageluidsgolven
ook een koker voor de biopsienaalden, die volgens een bepaald patroon
als het ware de prostaat worden ingeschoten. Meestal worden weefselmonsters
van zes verschillende plaatsen van de prostaat genomen, bij een sterk
vergrote prostaat worden soms meer naalden gebruikt.
Aangezien de biopsienaalden door de darmwand worden geschoten zal de patiënt
een paar dagen een antibioticum moeten slikken om infecties te voorkomen.
Ook kan na de biopsie soms wat bloed in de urine en sperma te zien zijn.
Het aldus verkregen weefselmonster wordt door een patholoog-anatoom
onderzocht. Indien alle biopten, of weefselmonsters, negatief blijken
te zijn maar er toch sterke aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid
van prostaatkanker, bijvoorbeeld als er hooggradig PIN (prostaat intra-epitheliale
neoplasie, dat een soort vóórlopercellen van prostaatkankercellen
bevat) wordt gevonden kan het nodig zijn een biopsie na verloop van tijd
te herhalen.
Zijn de resultaten positief, en is er dus tumorweefsel gevonden, dan kan
hiermee de gradering ofwel de mate van agressiviteit, gewoonlijk uit te
drukken in een zogenaamde Gleason score, worden vastgesteld. Belangrijk
is ook hoeveel van de naaldbiopten tumor bevatten en de hoeveelheid tumor,
in percentage uitgedrukt, aanwezig in elk van de naaldbiopten.
De uitkomst van de biopsie kan de uroloog echter maar in beperkte mate in staat stellen te voorspellen of de kanker wel of niet tot de prostaat beperkt is gebleven. Hiervoor is verder onderzoek nodig.
Bot scan
Als uit voorgaande onderzoeken is gebleken dat er inderdaad
sprake is van prostaatkanker zal men voor het stellen van de juiste diagnose
willen onderzoeken of er uitzaaiingen, ook wel metastasen genoemd, aanwezig
zijn. Prostaatkanker kan zich namelijk in een bepaalde fase van de ziekte
gaan uitzaaien naar andere delen van het lichaam. De prostaatkankercellen
zoeken dan gewoonlijk de botten van het bekken en de lendenwervels op
om zich daar te gaan nestelen. De dochtergezwellen, die dan in het beenmerg
ontstaan, bestaan uit prostaatkanker-cellen.
Om deze tumorhaarden te ontdekken kan gebruik gemaakt
worden van een botscan, ook botscintigrafie genoemd. Daarmee kunnen gezwellen
in de ruggengraat, het bekken, de ribben, de dijbenen of in andere beenderen
worden opgespoord.
Bij een lage PSA, kleiner dan 10ng/mL, én een normale alkalische
fosfatase waarde in het bloed zou in het algemeen geen botscan nodig zijn,
daar er dan waarschijnlijk toch geen uitzaaiingen te zien zijn. Zouden
die er toch zijn, dan zijn die microscopisch klein. Ze worden ook wel
micrometastasen genoemd en kunnen niet met een normale botscan worden
opgespoord.
De botscan zelf is als het ware een omgekeerde röntgenfoto.
In plaats van dat er hoge-energiestralen door het lichaam worden gejaagd,
wordt de film van de gammacamera belicht door de hoge-energiedeeltjes,
die zich in de botten bevinden. Vooraf wordt namelijk een radioactieve
merkstof, technetium-99m, geïnjecteerd, die zich in de botten opstapelt
met name op plaatsen met een afwijkende structuur. De door de gammacamera
ontvangen signalen worden door de er aan gekoppelde computer verzameld
en een beeld van het skelet wordt getoond waarop de plekken, waar zich
een hogere concentratie van de radioactieve merkstof bevindt, als lichte
vlekjes of zogenaamde ‘hot spots’ te zien zijn. In ernstige
gevallen kan zo’n beeld er uit zien als een “verlichte kerstboom”.
De zogenaamde ‘hot spots’ geven aan waar cellen snel groeien.
Daar kunnen uitzaaiingen aanwezig zijn, maar het kunnen ook plaatsen zijn
waar eerder een botbreuk is geweest of waar zich een ontsteking door artritis
of een infectie bevindt. De radioactieve merkstof stapelt zich namelijk
ook op die plaatsen op.
Vrij nieuw is Positron Emissie Tomografie, ofwel de PET-scan, waarbij gebruik gemaakt wordt van de radioactieve isotoop Fluor-18. Deze methode kan niet alleen de locaties van tumoren aangeven, maar ook informatie verstrekken over de activiteit van de tumoren en daardoor een hulpmiddel zijn bij het vaststellen van het klinisch stadium.
ThE (EPCEL-Ne)